De geschiedenis van Alden Biesen begint in 1220, toen de Duitse Ridderorde de Landcommanderij opgericht heeft. Deze Orde was verdeeld in 12 balijen of provincies. Alden Biesen groeide uit tot hoofdzetel van de balije Biesen, die zelf uit 12 ondergeschikte commanderijen bestond. Het pronkstuk, Alden Biesen, was eigendom van de landcommandeur. Het kasteeldomein kende haar glorietijd tussen de 16e en de 18e eeuw. De Landcommanderij groeide toen uit tot de luxeresidentie zoals we ze vandaag kennen. 

Op het einde van de 18e eeuw maakte de Franse Revolutie hier een einde aan, want de Duitse Orde werd verdreven. Het kasteelcomplex werd openbaar verkocht. Toen Guillaume Claes het domein kocht, was dat het begin van twee eeuwen privébezit en aftakeling. Na de brand van 1971 kocht de Belgische staat Alden Biesen, en vandaag is de Landcommanderij een internationaal cultuurcentrum van de Vlaamse Overheid. 

Meer weten over dit boeiende verhaal?

 

Tijdlijn van Alden Biesen

1190
1198
1219
1220
1244
1309
1361
1410
1467
1525
1543
1572
1606
1616
1637
1638
1652
1700
1715
1745
1769
1786
1797
1809
1929
1971
2000
2014
  • 1190: In de Palestijnse hitte

    De Duitse Orde werd in 1190 in Akko (Palestina) opgericht als een burgerlijk hospitaalbroederschap, een initiatief van kooplui uit Bremen en Lübeck. Die bouwden een tentenhospitaal met hun scheepszeilen om de zieke en gewonde kruisvaarders van de derde kruistocht op te vangen. Liefdadigheid blijft tot op vandaag een van de fundamenten van de Duitse Orde. 

  • 1198: Zwaard en kruis

    Uit nood aan een permanent aanwezigheid van christelijke strijders in het Heilige Land, werd de Duitse Orde acht jaar na de stichting als broederschap omgevormd tot een ridderorde. Ze bleven instaan voor de geestelijke zorg en liefdadigheid, maar vooral de strijd tegen de andersgelovigen werd het ideaal van de nieuwe Orde. Net de Johannieters en de Tempeliers bestond de Duitse Orde uit ridders en priesters. Allebei hadden ze de geloften van armoede, kuisheid en gehoorzaamheid afgelegd en dat verbond hen. 

  • 1219: Kruistochtgeweld in Egypte

    Tijdens de ambtsperiode van grootmeester Hermann von Salza (1209-1239) nam het aantal ridders flink toe. De Duitse Orde nam, met ridders uit onze gewesten, in die periode ook deel aan de vijfde kruistocht, een succesvolle strijd tegen de islam nabij Damiette in Egypte (1219-1221). Zo kreeg de Orde ook in de Nederlanden meer bekendheid. De Duitse Orde kreeg in heel Europa allerlei privileges en gronden en huizen cadeau, om die strijd aan de grenzen van het christendom te financieren. In de Nederlanden kwamen daar ook parochies, kapellen en hospitalen bij. Op heel korte tijd werd de Orde een Europese grootgrondbezitter, een multinational avant la lettre

  • 1220: Schenking van de Biesense kapel

    Graaf Arnold III van Loon en zijn zus Mechtildis van Are, de abdis van Munsterbilzen, stonden volledig achter de idealen van de kruisvaarders. Daarom schonken ze de Duitse Orde in 1220 een bedevaartkapel in Rijkhoven (Bilzen). Dit bedehuis stond op de plaats waar biezen groeiden. Daar bouwden de ridders van de Orde een vestiging uit. De schenking van 1220 kende grote navolging en Alden Biesen groeide uit tot hoofdzetel van de provincie Biesen, met twaalf ondergeschikte commanderijen  in het Maas-Rijngebied. Aan het hoofd van een commanderij stond een commandeur, in Alden Biesen verbleef de landcommandeur. In het begin gingen alle inkomsten die ze verwierven naar de kruistochten, maar vanaf de late middeleeuwen spendeerden de Orderidders het geld aan hun luxeleventje.

  • 1244: Jeruzalem gaat verloren

    In 1244 viel Jeruzalem, het spirituele centrum van het christendom, opnieuw in de handen van de islam en in 1291 verloor de Duitse Orde haar laatste vestiging in Palestina aan de moslims. Daarom verlegde de Orde het zwaartepunt van haar actie naar het Oostzeegebied, waar ze al sinds 1230 actief was in haar strijd tegen de Pruisen en de Litouwers. Daar zou de Duitse Orde de middeleeuwse geschiedenis mee gestalte geven.

  • 1309: Een ridderbastion

    In het Balticum bouwde de Orde de Staat van de Duitse Orde uit, met Marienburg (Malbork, Polen) als hoofdzetel vanaf 1309. Vanuit dit ridderbastion bleef de Orde kruistochten organiseren tegen de heidense Litouwers uit de wijde omgeving. De 14e eeuw was de glorietijd van deze ridderstaat. Deelnemen aan dit soort Pruisenvaarten was in de late middeleeuwen zelfs de droom van elke Westerse ridder. Die strijd in het Oosten, maar ook de laatmiddeleeuwse landbouwcrisis, oorlogsomstandigheden in het Heilige Roomse Rijk en wanbeleid in diverse Ordeprovincies zorgde ervoor dat er steeds meer adelijken in de Duitse Orde kwamen. Voor zusters, (half)broeders en familiares was er in de Orde geen plaats meer. Uit de burgerij waren alleen nog priesters toegelaten. De internationale Ordebroederschap van de 13e eeuw evolueerde in de 14e-15e eeuw naar een federatie van regionale adelscorporaties. De Orde werd uiteindelijk een hospitaal van de Duitse adel, een instituut waarmee de zonen uit de oude adel hun inkomsten verdienden.

  • 1361: Exit Alden Biesen!

    Omstreeks 1361 verliet de Duitse Orde het onveilige en vochtig gelegen Alden Biesen. In de commanderij Nieuwen Biesen, veilig beschut achter de stadswallen van Maastricht, richtte ze haar nieuwe hoofdzetel van de balije Biesen op. In de volgende decennia kwam er ook een luxueuze Landcommanderij. De oude kloostergebouwen van Alden Biesen bleven troosteloos achter. Op de middeleeuwse bedevaartkapel na leek het Ordeverhaal in Rijkhoven afgelopen.

  • 1410: De slag bij Tannenberg

    In het Oostzeegebied omsingelden de omliggende grootmachten de Staat van de Duitse Orde. De slag bij Tannenberg/Grunwald (Stebark in Polen) tussen de Orde en Polen-Litouwen in 1410 was voor de Duitse Ridderorde het begin van het einde. De Ordestaat werd zwaar belast, maar zijn territorium bleef nog onaangetast. In 1466 kwam het westelijke deel van Pruisen al onder Polen. De volgende eeuw zou de Orde in het Balticum alles verliezen.

  • 1467: Biesense saneringsmaatregelen

    De praalzucht van de 15e-eeuwse Biesense ridders bracht de provincie Biesen op de rand van het bankroet. De oude idealen waren ook daar al lang vervlogen. De rijke inkomsten werden niet meer voor het goede doel gebruikt, maar wel voor een luxeleventje en prachtige residenties, zoals Nieuwen Biesen in Maastricht. In 1467 moest er in de provincie Biesen een grondige sanering gebeuren. Zo mochten er in de toekomst nog maar 20 priesters en 20 ridders toetreden, een maatregel die tot het einde van de 18e eeuw van kracht bleef. Daarom werd herkomst een belangrijk instapcriterium. Om te kunnen intreden (en dus inkomsten te kunnen krijgen) moesten de ridders vier adellijke voorouders hebben, vanaf ongeveer 1600 acht en vanaf 1671 niet minder dan zestien. Slechts een heel beperkte groep families in de Maas-Rijnregio kon eeuwenlang de rijke uitkeringen blijven opeisen.

  • 1525: Het verlies van het Balticum

    Na een uitzichtloze oorlog onderwierp grootmeester Albrecht von Brandenburg zich in 1525 aan de Poolse koning. Hij trad uit de Duitse Orde, bekeerde zich tot het protestantisme, seculariseerde de Staat van de Duitse Orde en werd de eerste hertog van het nieuwe Pruisen. In 1561-1562 stortte ook de heerschappij van de Orde in Lijfland in elkaar. De Duitse Orde bleef alleen nog bestaan in het Heilig Roomse Rijk en kreeg het Frankische Mergentheim als nieuwe hoofdzetel. In dat Rijk telde ze twaalf balijen of Ordeprovincies, waarvan Biesen de tweede rijkste was.

  • 1543: Alden Biesen herrijst

    In 1543 liet landcommandeur Winand von Breill, die onder Karel V nog andere belangrijke functies bekleedde, op het vervallen, maar belastingvrije domein Alden Biesen een majestueuze zomerresidentie bouwen. Die residentie moest vooral dienen om op te scheppen met zijn hoge status. Met de bouw van de klokkentoren was dit kasteel, opgetrokken in de traditie van de laatmiddeleeuwse beveiligde waterburchten, in 1566 voltooid. In 1571 begonnen de bouwlui met de voorburchten. Alden Biesen was herrezen als een feniks uit zijn as, maar zou tot in de 18e eeuw een permanente bouwwerf blijven.

  • 1572: Landcommandeur Reuschenberg

    Heinrich von Reuschenberg (1572-1603) was een dynamisch landcommandeur, die zijn balije door de Tachtigjarige Oorlog en de Reformatie loodste. Zijn indrukwekkende onderwijspolitiek was een van zijn stokpaardjes. Aan de universiteit van Keulen stichtte hij twaalf studiebeurzen en aan het Jezuïetencollege van Maastricht vier. In Gemert richtte hij een Latijnse school met studiebeurzenstelsel op. Zijn opvolger Amstenrade voltooide dit project in 1622 met de stichting van een college van de Duitse Orde aan de universiteit van Leuven. Binnen de balije Biesen werden vooral via die onderwijsinstellingen ambtenaren en priesters van de Duitse Orde gerekruteerd. Reuschenberg wordt terecht de tweede stichter van de balije Biesen genoemd.

  • 1606: Een nieuwe opdracht

    Geen kruistochten meer, dus de Duitse Orde was haar doel en dus haar bestaansrecht kwijt. Grootmeester Maximiliaan van Oostenrijk gaf de Orde in 1610 een nieuwe opdracht. Vóór zijn aanstelling tot commandeur moest elke Orderidder in principe drie veldtochten ondernemen in de oorlog tegen de Turken of drie jaar garnizoensdienst vervullen aan de grenzen van het Heilig Roomse Rijk. De meeste ridders behaalden nadien trouwens hoge rangen in de Habsburgse of andere legers. De Duitse Orde behield zo - indirect - haar militair karakter. Als grootmeester koos ze meestal een zoon uit een katholiek vorstenhuis (Habsburg, Pfalz-Neuburg of Wittelsbach), die zo zijn aanzien en inkomsten nog vergrootte en ook de bedreigde instelling onder zijn gezag en bescherming nam. In de 16e-18e eeuw werd de Duitse Orde immers belaagd door de absolutistisch geregeerde staten, waarin haar vele, verstrooide en vaak belastingvrije bezittingen lagen. Dankzij die hoge steun, het lobbywerk en compromissen allerhande kon de Duitse Orde zich tot het einde van de 18e eeuw handhaven.

  • 1616: Amstenrade’s gasthuis

    In 1616 liet landcommandeur Amstenrade (1605-1634), die ook achter de Katholieke Hervorming stond, het zogenaamde gasthuis van Alden Biesen bouwen. Daarin gaf een priester van de Duitse Orde les aan de omwonende jeugd. De naam gasthuis komt trouwens van het feit dat die priester ook de rekeningen bijhield van het middeleeuwse hospitium of verblijf voor pelgrims. De inkomsten van die oude stichting werden toen alleen nog gebruikt voor liefdadige doeleinden. Landcommandeur Schönborn maakte van het gasthuis in 1715-1716 een herberg voor ambachtslui, winkeliers, bezoekers en vreemd personeel. In Alden Biesen was het vaak een komen en gaan van hoge gasten en dus ook van allerlei leveranciers. Zeker als de landcommandeur in Alden Biesen verbleef, was er leven in de brouwerij.

  • 1637: Utrecht scheurt zich af

    In 1637 kwam het tot een definitieve breuk tussen de katholieke Duitse Orde van Mergentheim en de protestants geworden balije Utrecht. In dat jaar besliste deze laatste Ordeprovincie immers dat ridders mochten trouwen. De echte oorzaak van die afscheiding was het consequent doortrekken van het regionale karakter van de balije: de Staten van Utrecht wilden op hun grondgebied geen invloed meer van de grootmeester op de Duitse Orde. De Ridderlijke Duitsche Orde, Balije van Utrecht bestaat in Nederland tot op vandaag nog als adellijk-ridderlijke instelling.

  • 1638: Een nieuwe Duitse-Ordekerk

    De balije Utrecht werd in de eerste helft van de 17de eeuw compleet calvinistisch en de naburige balije Biesen kreeg onder de landcommandeurs Reuschenberg († 1603) en Amstenrade († 1634) de kenmerken van een katholiek bastion. De nieuwe kerk van Alden Biesen, een initiatief van Amstenrade, is daar een voorbeeld van. Die barokke Ordekerk verving de oude middeleeuwse O.-L.-Vrouwekapel. Voor de stoffering trok landcommandeur Godfried Huyn van Geleen (1635-1657) bekwame Luikse ambachtslui aan als Pierre Defraisne en Leonard en Gilles de Froidmont. Bij de kerk sluit een galerij met Toscaanse zuilen aan, die in 1635 voltooid werd. De opzet van dit galerijgebouw lijkt een nieuw hospitium, maar die opvangfunctie heeft het nooit vervuld. De Orde had haar caritatieve taken toen al lang tot een minimum herleid.

  • 1652: Huyn van Geleens poort

    Het indrukwekkende poortgebouw, 30 m hoger gelegen dan de Waterburcht, was de vroegere hoofdingang van het domein, was het eindpunt van de continue uitbreiding van het domein. De poorttoren van 1652, opgetrokken door landcommandeur Huyn van Geleen, kijkt uit op Maastricht. In de aansluitende Trompetterswoning van 1663 logeerde de poortwachter. Het Apostelhuis aan de andere kant was in 1719-1720 door landcommandeur Schönborn gebouwd als verblijfplaats voor twaalf behoeftigen uit de omgeving, maar die functie heeft het nooit vervuld. Paradoxaal genoeg werden de gebouwen van de Duitse Orde alsmaar imposanter. Die folie des grandeurs van de Orde moest haar tanende betekenis compenseren.

  • 1700: Wassenaars modernisering

    Omstreeks 1700 is de Franse Tuin, samen met het oranjeriegebouw, aangelegd door landcommandeur Hendrik van Wassenaar (1690-1709). Deze Nederlander was verkozen in de hoop dat hij de calvinistische balije Utrecht voor de Duitse Orde zou kunnen terugwinnen. Wassenaar begon met de modernisering van de Waterburcht, waarvan zijn kabinet van de landcommandeur, in de oostvleugel van de Waterburcht, een schitterend restant is. Bouwmeesters waren in die periode architect du Chastillon en meester Lambert Engelen. Ook landcommandeurs waren kind van hun tijd en als welstellende edellieden erg modebewust. Zo liet nagenoeg elke landcommandeur in het interieur of bij verbouwingen zijn naamkaartje in Alden Biesen achter.

  • 1715: Schönborns adellijke residentie

    Damian Hugo von Schönborn (1709-1743), tweevoudig landcommandeur (Biesen en Marburg), bisschop en kardinaal, trad in de voetsporen van Wassenaar en transformeerde het renaissanceslot in 1715-1716 tot een adellijke residentie. De westvleugel van de Waterburcht werd omgebouwd tot corps de logis, met in het midden de eretrap. Grote Franse ramen maakten het kasteel transparant. Ook het voorhof werd grondig gerenoveerd en versterkte mee het representatieve karakter van het kasteel. Hoewel een bouwworm, was Schönborn meer nog dan met het uitwendige karakter van de Duitse Orde vooral met de spirituele vernieuwing binnen zijn balije begaan. Ook deze kerkvorst kon het tij van de moderne tijdgeest niet keren.

  • 1745: Sickingens appartement

    In de oostvleugel van de Waterburcht ligt het appartement van landcommandeur Ferdinand Damian von Sickingen (1743-1749), dat van 1745 dateert. Het sluit aan bij het kabinet van Wassenaar. Het appartement bestaat uit een salon en een bibliotheek met het staatsieportret van Sickingen, een portrettengalerij van zijn familie en een oudere plafonddecoratie van de Luikse kunstschilder Walthère Damery. In het salon liet Sickingen de Italiaanse stukadoors Giuseppe Moretti en Carlo Spinedi het mooie stucwerk aanbrengen. Het geheel is een schitterend staaltje van Luikse rococo. De landcommandeurs hebben altijd goed geweten bij wie ze moesten aankloppen.

  • 1769: Tiendschuur en rijschool

    Tussen 1769 en 1775 liet landcommandeur Caspar Anton von der Heyden genaamd Belderbusch (1766-1784) de dwarsvleugel van het voorhof, die de twee voorburchten verbond, slopen. In het verlengde van die voorburchten werden twee gebouwen opgetrokken in classicistische stijl: de Rijschool en de Tiendschuur. Zo was de Waterburcht opengelegd naar het landschap en kreeg het kasteelcomplex de vorm zoals we die nu nog kennen.

  • 1786: Reischachs landschapspark

    De Engelse Tuin was de eindfase van de eeuwenoude kasteelarchitectuur van de Duitse Orde in Alden Biesen. Landcommandeur Franz von Reischach (1784-1807) liet dit landschapspark in 1786-1787 aanleggen door tuinarchitect Ghislain-Joseph Henry uit Dinant. Het bestond uit een helling, monumentale bomen en exotische struiken, een grasveld, kronkelende paadjes, waterpartijen en folies als de Romeinse Minervatempel, Tataarse huisjes, een Chinees tempeltje, een grot, een ruïne en een hermitage. Niet alleen de tuin maar heel Alden Biesen zou als historische site uiteindelijk een paradise lost worden… 

  • 1797: Onder de hamer!

    In 1794 doken ook in het Maas-Rijngebied de Franse revolutionairen op. Ze dreven de ridders en priesters van de Duitse Orde op de vlucht en namen Alden Biesen en de andere bezittingen van de Orde in beslag. In 1797 werd het domein in Maastricht geveild. De Hasselaar Guillaume Claes werd de nieuwe eigenaar. Alden Biesen verloor zo zijn internationale bestemming, terwijl de privatisering ervan al het verval aankondigde. Het gebouwencomplex takelde zienderogen af en overgebleven interieur werd zonder scrupules verkocht. De site leek na de Tweede Wereldoorlog zelfs ten dode opgeschreven.

  • 1809: Afschaffing door Napoleon

    Op 24 april 1809 schafte Napoleon Bonaparte de Duitse Orde in de staten van de Duitse Rijnbond met één pennentrek af. Het instituut bleef alleen nog overeind in de Habsburgse erflanden. Met het verdwijnen van de Donaumonarchie in 1918 leek de hele Duitse Orde op sterven na dood.

  • 1929: Grondige hervorming

    In 1929 werd met succes een grondige hervorming van de Orde voltooid. De ridderlijke component werd opgedoekt, terwijl de Orde nieuw leven werd ingeroepen als een zuiver kerkelijke instelling van paters, zusters en familiares (die de doelstellingen van de Duitse Orde nastreven). Deze drie takken staan sindsdien onder de leiding van een grootmeester-priester, met hoofdzetel in Wenen.

  • 1971: Aankoop en brand

    Op 8 maart 1971 brandde de Waterburcht na een schoorsteenbrand volledig af. De Belgische staat handhaafde op 5 juli van dat jaar toch haar principebesluit om Alden Biesen aan te kopen. De keerzijde van de medaille was de noodzaak om tot een grondige renovatie over te gaan. Die grootscheepse restauratiecampagne en de grensoverschrijdende bestemming maakten het domein sindsdien tot wat het vandaag is: een Europese cultuurcentrum van de Vlaamse overheid.

  • 2000: Bruno Platter grootmeester

    In 2000 werd Bruno Platter tot 65e grootmeester van de Duitse Orde verkozen. Hij staat sindsdien aan het hoofd van een Orde, die verspreid is over Duitsland, Italië, Oostenrijk, Slovenië, Slowakije en Tsjechië, en die spirituele, parochiale, pedagogische en caritatieve doelstellingen nastreeft. De Orde telt nu nog een 90-tal paters en broeders, ruim 200 zusters en een 700-tal familiares (van wie enkele tientallen in België).

  • 2014: De historische site leeft!

    Alden Biesen is vandaag een van de grootste erfgoedsites in Vlaanderen met jaarlijks duizenden bezoekers. Het centrum mikt op een internationaal, nationaal en regionaal publiek. De historische en Europese uitstraling van Alden Biesen sluit volop aan bij de vroegere grensoverschrijdende betekenis van de Landcommanderij. Het bruisende leven op de site geeft aan dat Alden Biesen een toekomst voor zich heeft die even boeiend is als haar verleden. Vandaag staat Alden Biesen bekend voor haar Europese werking, de historische en hedendaagse, culturele en toeristische activiteiten en als toplocatie voor congressen en vergaderingen.

Alden Biesen

Welkom in Alden Biesen

Een schitterende erfgoedsite, een internationaal cultuur- en congrescentrum, een toeristische trekpleister: de Landcommanderij Alden Biesen in Bilzen is het allemaal. Alden Biesen, ooit gebouwd door de Duitse Ridderorde, is nu een van de grootste kasteeldomeinen in de Euregio.
Alden Biesen behoort tot het Departement Cultuur, Jeugd en Media van de Vlaamse overheid.

Bekijk de beelden van de Feratelcamera hier.

Ontdek de geschiedenis van Alden Biesen

De geschiedenis van de Landcommanderij Alden Biesen gaat terug tot de kruistochten in de 13e eeuw. Dappere ridders richtten in 1190 de Duitse Orde op. Alden Biesen was het hoofd van een provincie of balije van deze Duitse Orde. In het kasteel woonde eeuwenlang de landcommandeur, een machtig man die aan het hoofd stond van de balije Biesen. Vandaar dus de naam: Landcommanderij Alden Biesen.

Wil je het hele verhaal lezen?

Nederlands